“Als een lelie tussen de doornen,
zo is mijn liefste …” – Hooglied 2 : 2
Hier zingt de bruidegom een lied over zijn bruid.
De tekst doet mij denken aan vakanties aan de Costa de la Luz (zuid-west Spanje),
een rustige streek waar mijn man en ik veel wandelden op het stille, brede strand.
Ook wandelde ik daar ’s morgens vroeg, om alleen met God te zijn.
Vanuit het hotel liep het pad door een duingebied met overal droog uitziende,
grijsgroene struiken en doornige heesters.
Daartussen bloeiden – overal verspreid – kleine, witte lelie-achtige bloemen.
Elke bloem stond, net als een tulp, helemaal alleen.
Iedere morgen was ik weer verbaasd dat die witte ‘mini-lelies’ de hele dag door
de brandend hete zon konden verdragen, geworteld in droog, bloedheet zand.
“Hoe kan dit toch ?”, dacht ik telkens en zag het als een wonder van de Schepper.
Er is een dag geweest waarop zaden van deze plantjes – de wind nam ze mee –
overal in het zand terecht kwamen, midden tussen die ruige struiken en heesters.
De lelietjes zagen er nietig en teer uit in-vergelijk-met…
Toch bloeiden ze en knakten niet door de soms harde oceaanwind,
nee … dan bogen ze met de wind mee.
Evenals deze witte, tere bloemen worden ook wij geplant, geplaatst door God,
tussen vaak droge, doornige struiken die zoveel groter en sterker zijn dan wij.
Gods kinderen worden gezonden, zegt Jezus, als ‘schapen onder de wolven’.
Hij weet dat wij geplant zijn in een harde, zondige en meedogenloze wereld.
Hij weet van de doornen en stekels om ons heen, van situaties en mensen
die, gedreven door duistere machten, ons kunnen hinderen en ook verwonden.
Maar … juist daar mogen, ja, moeten wij ‘geheel anders’ zijn, doordat wij
Christus hebben leren kennen en Zijn natuur in ons mochten ontvangen,
om zo een ‘andere geur’ te verspreiden die Hij in ons heeft gelegd,
namelijk de geur van Zijn liefde, genade en vergeving voor verloren mensen.
De schepping wàcht – zo lezen wij in de bijbel – op het openbaar worden
van kinderen van God !
Een lelie, de bruidegom vergelijkt Zijn bruid met die bloem,
verspreidt een heerlijke, opvallende geur.
De gemeente is de Bruid van Jezus Christus.
Wij zijn voor God een geur van Christus, zegt de bijbel.
Inderdaad, wij leven in de eerste plaats voor God.
Een zoete bloemengeur wordt opgemerkt als je er langs loopt,
soms zonder dat je de bloem ziet; zo’n geur trekt de aandacht en je denkt:
“Hé, wat ruik ik toch, wat is dat voor een bloem ?”
Je zoekt waar die staat, ruikt er nog eens aan en plukt die misschien om
thuis van die geur te blijven genieten.
Op die wijze geniet God ook van ons als wij Jezus hebben toegelaten in ons
hart en leven; als Hij Zijn leven, Zijn geur in ons aantreft.
En … Hij is zó machtig, dat Hij, door ons gelovig gebed, een mens die lijkt
op een harde, droge doornstruik, kan herscheppen in een prachtige lelie –
wit gewassen door Jezus’ bloed en vervuld met Zijn Woord en Geest.
Want zo ziet Jezus Christus ons dus: de Bruid die Hij liefheeft:
als een lelie – blank en rein, terwijl onze eigen, oude natuur ook dor, droog
en doornig was en soms nog zichtbaar is.
Maar … ondanks fouten en tekortkomingen blijft Hij Zijn Bruid trouw en
zal Hij Zijn gemeente blijven liefhebben en haar bewonderen als een lelie –
gezegend met de adem en geur van Hem … van de hemel.
En die geur is kostbaarder dan welke aardse ‘Coco Chanel Parisien’ dan ook !