Ezelreis


Ik heb in de stal bij de kribbe gestaan

niet ver van de moeder en vader
de herders verhaalden van engelen en licht
en kwamen toen schoorvoetend nader
ik stond in hun schaduw – kon ’t kindje niet zien
maar ik hoorde: ‘… Gods Zoon is geboren …!’
ik ben maar een ezel, zo grijs en zo grauw
toch werd ik door Jozef verkoren
om ’t Kind – nog verborgen – de moeder erbij
door Bethlehems poorten te dragen
ach ja, ‘k ben een ezel, soms koppig en trots
onwillig om zonder te klagen
de lasten te sjouwen, dag in en dag uit
en toch – wat een wondere vreugde –
toch werd ik geschapen, geroepen door God
voor een reis die mijn hart zo verheugde

‘k droeg Jezus onzichtbaar – o liefelijke last –
naar het stadje vermeld door profeten
ik werd nog onwetend geplaatst in Gods plan
terwijl ons zo vaak wordt verweten
dat ezels zo dom zijn
maar ‘k leerde mijn les:
‘… doe steeds wat de Meester zal vragen !’

gehoorzamend heb ik door nacht en woestijn
– terwijl wij de Morgenster zagen –
door hitte en koude 
gevaren en pijn
Gods liefdezoon stil mogen dragen