‘…mijn Vader is de landman; Ik ben de wijnstok, jullie zijn de ranken.’ – Johannes 15.
Ik liep door de wijngaard en zag
hoe sommige ranken verdorren;
ze merken het niet,
maar tot mijn verdriet
is d’ oorzaak: hun klagen en morren;
de langere ranken had Ik
om te steunen aan lijnen gebonden
– mijn dagelijks werk;
ze groeiden zo sterk,
maar vrucht heb Ik nauwelijks gevonden;
ook zag Ik een krachtige rank,
rondom door haar bladeren omgeven;
een schoonheid van groen;
was ’t daar om te doen ?
Het was slechts bij bladeren gebleven…
Toen nam Ik mijn mes,
een pijnlijk proces:
Ik heb hen gesnoeid,
met water besproeid
en bleef hen in liefde verzorgen;
er groeide iets nieuws aan de stam
toen Ik kwam,
op een vroege, zonnige morgen:
de rankjes, zo klein
– hoe kan het zo zijn –
waren onder de druiven verborgen;
soms was Ik vermoeid,
maar de trossen – volgroeid,
heb Ik blij in mijn manden geborgen !