Een traliebedje, witte zaal en lakens,
zijn grote ogen, soms zo moe en mat;
zijn bloed verteerde, langzaam slopend kwaad…
het eerste schooljaar had hem afgemat;
zelfs dat was toen al veel te veel voor hem,
zijn lichaam kon zelfs dat niet meer verdragen;
‘Mam, waarom moet ik altijd maar weer ziek zijn ?’
Hoe pijnlijk zijn ze soms – die kindervragen…
‘De Here is mijn herder’ zong hij graag,
het was zijn lievelingsversje van de plaat;
hij hoefde, na vakantie, niet naar school toe,
hij werd niet beter – het was al te laat…
Te laat ? Ach nee, al vroeg ging hij naar Jezus;
de Herder kent zijn schapen toch zo goed,
Hij had hem altijd luidkeels horen zingen;
de Herder kwam zijn schaapje tegemoet.
Wij weten allen: nu is hij bij Jezus;
daar is hij veilig en volmaakt gezond;
‘De Here is mijn herder’ – dat was zeker;
Gods lof klonk uit zijn kleine kindermond…
Jan Harm werd 6 jaar.