“Bewaar jezelf in de liefde van God …” – Judas 21.
In de brief aan Efeze (Openbaring 2 : 4) speekt de Heilige Geest:
“Maar Ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten …”.
Het wordt zo gemakkelijk gezegd: “Dat was mijn eerste liefde…” en dan bedoelt
men niet ‘de liefde’ als zodanig, maar de persoon om wie het ging.
Vaak wordt de genoemde tekst uit Openbaring van Johannes verkeerd uitgelegd,
als zou men niet meer zo ijverig zijn, niet ‘druk genoeg bezig voor de Heer’.
Velen krijgen een schuldgevoel als zij die uitleg horen en gaan hun aktiviteiten
weer opschroeven om dat schuldgevoel weg te werken.
Toch is dit niet wat de Geest van God hier bedoelde.
De eerste liefde is niet onze liefde naar God toe.
Integendeel, de eerste liefde is ook hier een persoon; het is God.
Hij en Hij alleen is de eerste liefde die er was en Hij was het dan ook die
ons eerst heeft liefgehad.
Onze liefde voor Hem is wederliefde.
De mensen in Efeze hadden die eerste liefde verlaten: zij hadden God verlaten.
Ze waren juist héél ijverig: de apostel roemt zelfs hun werken en inspanning,
hun volharding en verdraagzaamheid en ” … jullie zijn niet moe geworden”,
zo schrijft hij.
Maar … toch waren ze van een ‘hoogte afgevallen’ lees ik in diezelfde brief.
Geestelijk was hun leefwijze van dien aard geworden dat zij zich moesten bekeren
van ‘werken voor’ in plaats van ‘leven met’ God, de Bron van Liefde.
Ze hadden geen aansluiting meer met die Bron – m.a.w.: ‘verbinding verbroken’.
Er waren werken, maar het waren ‘dode’ werken geworden; aktiviteit genoeg, maar
niet langer die levende gemeenschap met God: religie in plaats van relatie.
Ze werden dan ook opgeroepen tot Hem terug te keren, om Hem weer te zoeken
en te vragen naar Zijn wil in alle dingen van hun leven, zoals het in het begin was.
“Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij je hart“, zegt God in Zijn Woord, omdat ons hart
Hem toebehoort en … omdat Hij ons wil bewaren voor de tegenstander.
“Bewaar jezelf – bewaar je hart – in de liefde van God”, lezen wij in Judas 2 en
verlaat die liefde niet. Wij zijn zo kostbaar in Zijn ogen.
Dan zal ook ons werk waardevol zijn voor Hem en … dan zal Hij ons bewaren,
veilig geborgen onder Zijn vleugels.
“Blijf in Mijn liefde … wie in Mij blijft die draagt véél vrucht !”, zegt Jezus.
Een wijnrank geeft niets aan de stam waarin ze is geënt; ze draagt de vrucht
door wat de stam haar geeft; dat alleen is haar opdracht.
Ontvangen is alles wat zij doet; zo heeft God het geschapen en het was ‘zeer goed’ !
Raakt de rank los van de stam, dan verdort zij en wordt verbrand.
Bewaar jezelf en blijf (zwemmen, zegt Ezechiël 47 : 5) in de levende rivier
van Gods liefde en doe verder eenvoudig wat je hand vindt om te doen.
Alleen maar ontvangen … dan zul je veel vrucht dragen tot zegen van anderen;
vrucht voor de Landman en tot eer van Hem; vrucht die eeuwig blijft !
Dat is alles wat God vroeg.
Dat is voor Hem genoeg – wat een heerlijke, rustgevende belofte !