Waar zou ik zijn als niet mijn vader en mijn moeder
mij hadden voorgeleefd om kind van God te zijn;
als zij niet dagelijks mij leerden om te bidden:
” … maak mij een kind van U, al ben ik jong en klein” ?
Waar zou ik zijn als niet mijn vader en mijn moeder
voor ’t slapen-gaan nog knielend baden bij hun bed
en als zij niet de zorgen voor hun kinderen
daar in Uw trouwe handen legden in gebed ?
Waar zou ik zijn als zij niet uit de kinderbijbel
verhalen lazen elke avond, ied’re dag,
zodat ‘k geloofde en in dromen, fantasieën
mijzelf als schaapje van de goede Herder zag ?
Waar zou ik zijn als ‘k niet op zondag had gezongen
de mooie psalmen en gezangen in de kerk ?
Waar zou ik zijn als ik op school niet had gehoord
vertellingen van God en van Zijn volk, Zijn werk ?
Waar zou ik zijn als niet mijn moeder en mijn vader
gebeden hadden toen ‘k – in duisternis beland –
zo zoekend was naar Waarheid in de wereld ?
God hoorde hun gebed en zag mijn hart – en ik,
ik vond Hem: Waarheid en … Zijn uitgestrekte hand.