‘Hier is een jongen die vijf gerstebroden heeft en twee vissen;
maar wat betekent dit voor zovelen ?’
Johannes 6 : 9.
Ik gaf mijn visjes en mijn brood aan Jezus.
Het was niet veel wat ik Hem geven kon,
maar toen Hij alles eenmaal had gezegend
was ’t net alsof een heel groot feest begon;
want, je gelooft het niet: Hij bleef maar delen
en zelfs de rest was nog twaalf manden vol !
Ik heb naast Hem mijn ogen uitgekeken…
Hij keek naar mìj; zo blij – zo liefdevol…
Rondom mij stonden ouders en hun kinderen,
met ook wat brood en vis als proviand;
ze dachten zeker: ‘… ‘k heb het zelf toch nodig…’;
maar Jezus gaf mij dankbaar, stil, Zijn hand…
Ik kon die nacht niet slapen van verwond’ring !
Hij brak het brood en ik … ik hield Zijn staf.
Het was niet veel, maar toch … mijn ogen zagen
wat Hìj kon doen met wat ik aan Hèm gaf !