Er was een kindje geboren in een dorpje in Pakistan, een meisje.
Het bleek zwaar gehandicapt te zijn – geestelijk en lichamelijk.
Wat een verdriet was dat voor de familie en de christen-gemeenschap.
De ouders namen haar zondags altijd mee naar de kerkdienst.
Haar donkerbruine lijfje had, dat was zichtbaar, bijna geen spierkracht.
Een kinderwagen of kinderstoel is daar niet, maar dat hoefde ook niet.
Het kleine schatje, met zwart springerig haar en wat schele oogjes, werd
altijd gedragen – door de ouders, door de kinderen.
In de kerk – waar iedereen op de grond zit – waren de vrouwen en meisjes,
maar ook jongetjes, dol op haar.
Er werd net niet gevochten wie haar weer even mocht vasthouden of
op schoot mocht hebben tijdens de dienst – waarom ?
Ze deed niets dan lachen … lachen … en nog eens lachen …
Daarbij draaiden haar grote, donkerbruine oogjes niet-gericht alle kanten op;
ze kraaide van plezier om alle aandacht, spelletjes, alle kusjes en lieve woordjes
die ze kreeg, totdat ze zo moe was en bij wie-dan-ook in slaap viel.
Iedereen bad voor genezing, natuurlijk !
Maar …
Na een gesprek met de voorganger werd mij duidelijk wat een bijzondere plaats
dit zwakke schepseltje in de kerkgemeente innam.
Hij vertelde dat juist door dit kindje veel liefde en ontferming in de gemeente
was gekomen en dat ze een samenbindend persoontje was.
Toen ik haar zag droeg ze een geel jurkje met witte strikjes en opeens zag ik:
“Het is een zonnetje – een stralend zonnetje dat licht en vrolijkheid verspreidt,
dwars door haar kwetsbaarheid heen”.
Ik deelde dit met de voorganger en hij beaamde dit.
Ja, ik mocht haar ook vasthouden en samen baden we voor ‘genezing’,
maar wat is dat … in dit geval ?
We betwijfelden of het wel Gòds bedoeling was dat ze zou veranderen.
Misschien was ze er om licht en blijdschap te verspreiden en om,
juist door haar zwakheid, Gods kinderen samen te brengen – want dat deed ze.
Precies wat God van Zijn discipelen vraagt.
Dus … ?