Mijn moedige ouders en grootvader.


Mijn vader en mijn moeder.

Nog zo vaak denk ik aan hen en aan hun eenvoud en moed om
in de oorlog o.a. een oud, joods echtpaar in ons huis te herbergen.
Gewoon omdat zij dat beschouwden als hun christenplicht.
Met gevaar voor ons aller leven, maar… barmhartigheid, noem het
ook naastenliefde, stond bij mijn ouders hoog in het vaandel.
Iemand had in de zit/slaapkamer waar het echtpaar dag en nacht
woonde de ingebouwde,
schuin-aflopende klerenkast van binnen
met een houten wand
recht gemaakt. Daarachter was hun schuilplaats.
Regelmatig werd er door duitse soldaten aangebeld om huiszoeking
te doen naar joodse en andere onderduikers.
Meestal werden mijn ouders door een ‘goede’ politie-agent vooraf
gewaarschuwd, maar op een dag gebeurde dat niet.
Mijn vader was aan het werk in de groententuin achter ons huis.

Opeens stonden er twee duitsers bij hem – ditmaal niet via de voordeur,
maar via de achtertuin van onze buren gekomen – met de vraag
of ze ons huis
konden doorzoeken.
Mijn vader had de tegenwoordigheid van geest geen schrik te tonen
(hij kon mijn moeder niet meer waarschuwen), ging hen rustig voor
naar de keuken en zei daar tegen mijn moeder:
“Deze heren willen even het huis doorzoeken” en tegen de ‘heren’:
“Vindt u het goed dat ik even mijn handen was ?’ Ja, dat was goed.
Natuurlijk waste hij zijn handen zo uitgebreid mogelijk, zodat
mijn moeder, die rustig de keuken uitliep, de tijd kreeg om de joden
boven in de schuilplaats te verbergen.
Het hele huis werd doorzocht, maar niemand werd gevonden,
al klopten de heren wel een paar maal op de houten wand in de
kast,
tot grote schrik van het echtpaar.
God heeft ons gezin bewaard en … dat van mijn grootvader;
want m
ijn opa had maar liefst acht joden in huis, verborgen op
de hooizolder boven de stal van de ene koe die hij nog had.
Waarschijnlijk had iemand (een buurman ?) daar toch iets van
gemerkt
en dat verradelijk doorgegeven.
Op een dag kwamen ook daar de duitsers. Mijn opa ontkende in alle
toonaarden dat hij joden verborgen hield. De duitsers sloegen hem
in zijn gezicht en dreigden zelfs
zijn huis, waar ook zijn zoon met
zijn vrouw en kinderen woonde, i
n brand te steken.
Mijn opa, een eenvoudige boer en klompenmaker uit de Achterhoek,
antwoordde rustig: “Iej mot moar doon, wa’j neet loat’n kunt”.
(Je moet maar doen wat je niet kunt laten)
De duitsers dropen af en deden … niets.

Er is voor mijn opa later een boom geplant in Israël.
Zijn zoon kreeg later, samen met zijn vrouw, posthuum
een onderscheiding voor hun moed.