Zoals een vader glimlacht naar zijn kinderen,
wanneer ze – zo verloren in hun spel –
niet aan hem denken, maar toch zeker weten:
‘…mijn papa is er wel …’
zo kijkt U ook naar ons als Hemelvader;
wij zijn bij U in tel;
wanneer ik bij Uw voeten neer mag knielen –
genieten van Uw rust, dan bent U blij;
al ben ik nog zo moe – ik mag ervaren
Uw glimlach over mij;
zoals een moeder blij is met haar kinderen,
al zijn ze vaak ook boos, verwond of stout
– ze kunnen werk’lijk alles aan haar zeggen,
omdat ze van hen houdt –
zo bent U ook voor ons wanneer wij weten:
‘…het ging vandaag weer fout …’;
en als een kind zal ik bescherming vinden
bij U, want U bedekt mij als een schild;
een ‘welkom thuis’ is leesbaar in Uw glimlach
die alle stormen stilt;
maar zoveel kinderen zijn weggelopen,
van zonde en gevaren onbewust;
ze dwalen rond als schapen zonder herder
en vinden nergens rust;
ik wil vertellen van Uw hartsverlangen
om, met een glimlach, hen weer Thuis te ontvangen,
waar U hen welkom kust.